Soigneur

*met liefde voor racefietsen.

Recente tweets

ge'liked op Tumblr

More liked posts

La Redoute

door Ivo Pakvis // Soigneur


Ik kan niet klimmen. Fietsen, zeker. Klimmen niet. Als ik los uit het zadel een viaduct kan beklimmen, waan ik me al Philippe Gilbert. Als ik op een pisverzet de Cauberg opkrabbel, heb ik geen idee wie Philippe Gilbert is. Dan telt enkel de inname van zuurstof, graag met liters tegelijk. Niks romantiek, niks heroïek, hijgend als een labrador na de zeventigste retournering van een tennisbal wring ik mezelf naar boven.
Zodra ik ‘s avonds echter vreselijk tevreden met mezelf zit te zijn en de droge, kapotte lippen aan een pint zet, ben ik weer d’n Phil. Held. Jij klimmende held die je bent.

En dus besloot ik, hoog op een endorfinekick, dat het een uitstekend plan zou zijn om drie dagen te koersen in de Ardennen. Aan mijn zijde Reinier, mijn koersvrind. Reinier, de man met de carbonfiets en de Ventoux in de benen. De man die met de gratie van een sneeuwluipaard bergen opklimt. Lijden begint bij hem bij twintig procent. Bij alles daaronder heeft hij tijd om te keuvelen, te eten en te fluiten. En dat terwijl ik het begrip ‘stoempen’ zo ver in het extreme duw dat Maarten Ducrot er een nieuw begrip voor moet uitvinden. Met hem ging ik naar de Ardennen. Hij zou wel wachten, zei hij. Boven. Twee rondjes om de as draaien en ik was er weer. De hellingen waren steil, maar kort. Of lang, maar niet steil. Kind kan de was doen. En wat is fietsen zonder jezelf op je lazer te geven?

Direct na aankomst in een dorpje dat ergens op de route van Luik-Bastenaken-Luik ligt, werden de fietsen in gereedheid gebracht. Bidon vol, remblokjes recht, ketting gesmeerd, klaar. Helm op, mooiste wielertenue aan -ik ging voor een stijlvol Bianchi-tricot, al zit ik op een Koga- en los. Het regende. Het regende hard. En het ging gelijk omhoog. Er was geen gewenning, er was geen ‘inrijden’, de weg liep gelijk steiler omhoog dan alle viaducten bij elkaar. En ik was niet goed. Bovenaan zag ik een boerderij. Daar moest ik naartoe. Direct in de lijdstand. Direct overleven. Geen gekeuvel. Zuurstofschuld.

Ik had pap in de benen. Er kwam niks uit waar iemand ook maar een greintje vreugde uit kon halen. Ondertussen bleef de regen door kletteren. Mijn bril besloeg. Zonnebril. Optimistisch had ik voor de donkere glazen gekozen. Ik zal er belachelijk uit. En hier zat ik dan. Tien kilometer onderweg en nu al zat het woord ‘godverdomme’ me zo vooraan in m’n bek, dat ik betwijfelde of dit nog wel leuk was. Dertig kilometer verderop bleek het appartement dichterbij dan gedacht. Reinier wilde verder, ik haakte af. Koud, moe, geïrriteerd en gedesillusioneerd nam ik plaats in bad. Bekijk het maar met die klotefiets en die kuthellingen. Twee uur later kwam Reinier terug. Nog even de Col du god-weet-wat gepakt. Was best pittig. Steil enzo. Of ik zin had om morgen de Redoute te beklimmen. Ik was alweer opgewarmd en stond een manshoge pan pasta te maken. Natuurlijk wilde ik de Redoute beklimmen. Morgen zou immers alles beter zijn.

Het regende niet meer de volgende dag. Het waaide, maar daar heb je in de polder veel meer last van. Hier, tussen de bomen was er weinig aan de hand. Op naar Remouchamps. Op naar de Redoute. Remouchamps bleek heel dichtbij. En zodra ik dat besefte, werd ik nerveus. Nerveus voor een helling. Dat was raar. Ik kende de Redoute niet. Ja, van televisie. Telt niet. Onderuit gezakt kijken naar een peloton dat op het buitenblad omhoog valt, dat kan iedereen. “Zometeen gaan we onder een bruggetje door, dan rechtsaf en dan begint het”, dartelde Reinier voor me uit. Ik had ontzag. Respect. Angst. ‘Gilbert’ stond er op het asfalt. Ik sprak de woorden die ik voor een helling zo vaak tegen Reinier sprak. “Ik zie je boven wel.” Reinier zou mij boven wel zien. De vraag was hoe.

De Redoute gaat in het begin langs een snelweg. Ondanks het hellende wegdek, was ik me bewust van de knetterende lelijkheid van dit stuk. Klimmen naast een snelweg, automobilisten zagen hoe ik sidderend begon aan de klim die elke renner, prof of toerist, een keer moet doen. Het ging linksaf. Reinier was nog bij me. “Niet schrikken van wat je nu gaat zien”, zei hij. Ik schrok wel. Dat was dus twintig procent. “Ga maar”, zei ik. Dit was mijn persoonlijke gevecht. Het ging tussen de Redoute en mijzelf. Ik voelde een vastberadenheid die ik niet kende. Ik ga hier dus niet, ik herhaal NIET afstappen. Lopend naar boven, niet vandaag. Ik schakelde terug. Naar de pijnstiller. Daar ging ik dan.

Het zijn niet eens de benen die protesteren. Die zijn wel wat gewend. Het is de maag. De golf van spanning en inspanning, die golf voel je in je maag. Het is een absurd gevoel, dat van je eist dat je onmiddellijk stopt met wat je aan het doen bent. Maar ik wilde niet luisteren. Trap voor trap, emmers zuurstof tot mij nemend. Er was niemand in de buurt. Ergens voor me (boven me?) fietste Reinier. Niet aan denken. Ik overwon het steilste stuk. Ik kon mijn blijdschap niet bedwingen en uitte een kreet. Er kwam meer. Het werd weer steiler. Ik kon het einde van de helling zien. Tussen mij en het Mariabeeldje bovenaan stonden nog een paar hufters van meters. Ik kon niet kleiner schakelen, hiermee moest ik het doen.

Ik ging niet afstappen. Ik ging het halen. Reinier keek toe hoe ik mijn eigen persoonlijke vendetta met het hellende asfalt aan het uitvechten was. Eenmaal boven kon ik een overwinningsgebaar niet tegenhouden. Een klein vuistje werd het. Mijn koersvrind lachte. “Goed gedaan, jochie”. Het was maar de Redoute, het was maar een helling van twee kilometer. Ik voegde me hiermee slechts bij een groep van duizenden wielerliefhebbers. Maar nondeju, wat ging de pint vanavond smaken. Even was ik Philippe Gilbert. Heel even.

Posted on Wednesday, September 26th 2012

Tags Ivo en Soigneur La Redoute Philippe Gilbert Zuurstofschuld